Het zeemansleven van Dirck Jansz de Knibber

Appeldijk 67 Gorinchem anno 2020 (witte pand)
Appeldijk 67 Gorinchem anno 2020 (witte pand)

Dirck Jansz de Knibber (Gorinchem 1614 - na 26 januari 1667) was de zoon van Jan Janz de Kribber en diens tweede vrouw Neeltgen Mertens van Duijnen. Zijn vader kwam door zijn huwelijk vanuit Dordrecht in Gorinchem terecht. Zijn moeder was waarschijnlijk de dochter van bakker Merten Jans van Duijnen aan de Appeldijk 67. Dirck moet lichamelijk en geestelijk een sterk figuur zijn geweest, zwierf over de wereldzeeën, heeft genoeg avonturen beleefd om een serie boeken mee te vullen en toch weten we zowel van zijn privéleven als van zijn leven bij de VOC bijna niets af. In het archief van Gorinchem komt hij maar sporadisch voor en dan ook nog alleen als “man van..”

 

Zijn carrière van minstens 30 jaar als zeevarende bij de VOC, waarvan hij er 25 op een schip heeft doorgebracht en tussendoor ook nog kans zag getrouwd te zijn en drie kinderen te krijgen, is spectaculair te noemen gezien de vele gevaren waaraan men toen bloot stond. Toch liet het In het archief van de VOC maar een klein spoortje na, waardoor een beperkte reconstructie te maken is van zijn leven dat in het teken stond van de zee en de kunst van overleven.

Reis 1

Het was een zwoele zaterdagavond in juni 1637 in Batavia en Dirck Jans de Knibber zat, 23 jaar oud,  op zijn gemak op de Burchwal met uitzicht op de rivier. Ze zijn met een groepje van een man of vijf op stap en niet allemaal meer even nuchter. Twee van hen zijn net het huisje van een donkere vrouw binnen gegaan en de twee anderen, Evert en Steven, waren ronduit dronken en aan het ruziën toen Evert zijn mes trok en Steven tussen zijn ribben stak. Dirck haastte zich om het mes uit Stevens lijf te halen maar dat was nog een hele klus. Ongetwijfeld zijn er meer mensen op het tumult afgekomen en of Steven en het overleefd heeft is niet met zekerheid te zeggen. Ze zullen wel wat gewend geweest zijn met al dat ruwe zeemansvolk in de stad maar hier kwamen de mannen beslist niet zo maar mee weg. Er moest in ieder geval een officiële verklaring komen van het voorval. Dirck verklaarde dat hij bosschieter op het schip ’s-Gravenhage was.

 

Dat schip was net terug van een tocht naar Goa ( India), het bestuurlijk centrum van Portugees-Indië, waar het als onderdeel van een grote vloot, had geprobeerd te voorkomen dat de Portugese retourvloot uit kon varen. Maar terwijl de andere schepen “mannelijke courage” hadden getoond zo zeer dat de vijand niet anders meer wilde dan van deze furie verlost te worden, waren de schepen ’s-Gravenhage en Egmond weinig collegiaal geweest. Ze waren buiten schootsafstand gebleven. Het treffen had de VOC schepen 7 doden gekost en 45 gewonden. Dit groepje mannen was er in ieder geval zonder al te veel kleerscheuren vanaf gekomen en ze hadden inmiddels wel door dat het leven in de tropen voor veel kameraden van korte duur was.

 

Ook voor de ’s-Gravenhage bleek het einde dichterbij dan verwacht. Op 4 januari 1638 zou het alsnog bij Goa vergaan nadat het, samen met de Vlissingen, het admiraalsschip van de Portugezen in brand had geschoten, zelf niet op tijd weg kon komen en daardoor ook in brand vloog. Of Dirck toen nog aan boord was is niet bekend maar in dat geval was hij was niet de enige streekgenoot die bij deze slag aanwezig was. Adam Westerwolt was de vlootadmiraal bij deze tocht. Zeker is wel dat Dirck in juli 1639 weer terug in Nederland was en een berg aan ervaringen had opgedaan.

Verslag over het steekincident. NA 1.04.02.9338
Verslag over het steekincident. NA 1.04.02.9338

Reis 2

Dirck had de smaak te pakken van het leven op zee en wilde terug naar Indië. Hij monsterde als onderstuurman aan op de Gulden Buis die 5 mei 1640 vanuit Texel vertrok. Hij was 26, nog niet getrouwd en had geregeld dat zijn moeder Neeltje Martens van Duijnen ieder jaar 3 van zijn maandsalarissen bij de kamer van Amsterdam kon halen. De Gulden Buis zou langer over zijn heenreis naar Batavia doen dan gebruikelijk was omdat het de opdracht had gekregen eerst Mauritius aan te doen. Van de 67 opvarenden zouden er 8 Mauritius niet levend bereiken waaronder schipper Gerrit Vinkenburg. Hij kreeg een zeemansgraf op 6 oktober waarna de opperstuurman het bevel overnam en Dirck ook een plaatsje steeg in de rangorde. Vanaf dat moment mocht hij zich opperstuurman noemen. Uit de bezittingen van de overleden schipper kocht hij diens schoenen en sloffen.

 

De Gulden Buis moest Mauritius aandoen om o.a. verslag te kunnen doen in Batavia over de toestand van het verversingsstation en eventueel mensen achter te laten die de landbouw ter hand konden nemen. Door onderbezetting op het schip was het daar niet van gekomen. Wel hadden ze, ondanks de vele zieken, 1094 stukken ebbehout uit het bos gehaald en ingeladen samen met twee in het noordwesten van het eiland gevonden kanonnen die volgens de merktekens afkomstig moesten zijn van het schip Banda dat daar was vergaan. Met deze lading verscheen de Gulden Buis op 28 april 1641 op de rede van Batavia. Het schip vertrok eind juni 1641 naar Taiwan en Japan maar zou op de terugtocht vergaan waarbij de bemanning verdronk of gevangen genomen werd. Dirck de Knibber ontsnapte aan dit lot, hij was overgeplaatst in de rang van opperstuurman geplaats op de Gulde Maen die op 2 juni 1641 al vertrokken was naar de westkust van Sumatra om peper te halen. Bij de afvaart op de rede van Indrapoera op weg naar Batavia was de onderstuurman verantwoordelijk voor een ernstig ongeluk met een kanon waarbij 3 mannen stierven en een aantal, waaronder Dirck, gewond raakte. De schipper besloot desondanks toch zeil te zetten en terug te varen naar Batavia vanwege de grote lading peper.

 

Met een deels nieuwe bemanning vertrok de Gulden Maen weer op 25 januari 1642 uit Batavia. Dirck Knibber was weer van de partij. Ook de Santfoort, Wijdenes, ’t Gewelt van Batavia en de Ambonya waren deel van de vloot onder opperbevel van Majoor Willem van der Beecq. Ze kregen opdracht om zoveel mogelijk sandelhout te kopen als voor de geringe hoeveel geld die ze meekregen mogelijk was. Daarnaast moesten ze er ook voor zorgen dat alle Chinese jonken die ze tegen kwamen duidelijk werd gemaakt dat de enige plaats waar ze mochten handelen Batavia was. Desnoods moesten ze geëscorteerd worden naar Batavia. Schepen zonder passen werden aangevallen en hun lading geconfisqueerd. Ook moest Van Beecq met de Gulden Maen en de Ambonya naar Solor en het fort Henricus aldaar visiteren. Als de andere schepen geladen met sandelhout naar Makassar vertrokken, moesten de Gulden Maen en de Ambonya doorvaren naar Ambonya. Zo ver zou het voor Dirck niet komen

 Er is een verklaring opgemaakt over hoe het zo ver heeft kunnen komen dat de Gulden Maen op 10 april 1642 verging voor Solor. Een bosschieter, de bootsman, de hoogbootsman, de constabel en de schieman van de Gulden Maen leggen een verklaring af waaruit blijkt dat ze eigenlijk heel de reis al slecht weer hebben gehad. Die avond had Hans Hansz, de bootsman, de eerste wacht. Aanvankelijk was het mooi windstil weer geweest maar langzaam maar zeker was er een zuidelijke wind gekomen. De wind was van lieverlee gaan doorzetten waardoor er een moment kwam dat het schip nog maar moeilijk te besturen was. Ondertussen was de wacht gewisseld en stond Jacob Jans Cingel aan het roer. De schipper kwam diverse keren kijken en besloot zeil te minderen maar dat bleek nog niet zo eenvoudig te gaan. Ondertussen was het gaan regenen en het was donker geworden. Wetende dat ze vlak bij de kust waren stond iedereen op wacht. De schipper beloofde een extra mutsje arack voor wie het eerste land zag maar het zich was zo slecht dat ze pas door hadden hoe dicht ze bij het land waren toen ze de branding zagen. Ze probeerden nog de ankers uit te gooien en zo houvast te krijgen waardoor ze niet verder naar de klippen dreven, vallen werden doorgesneden of gekapt om maar snel vaart te minderen maar het mocht allemaal niet baten. Tegen middennacht liep het schip op de rotsen en na een kort beraad werd besloten de masten om te kappen. Er was geen redden meer aan. Uiteindelijk werd van schip en lading weinig geborgen en werden de schipbreukelingen met de Ambonya via Bali terug gebracht naar Batavia waar ze 18 juni aankwamen. Schade aan het schip en lading betekende ook minder verdiensten voor de bemanning. Een bittere pil.

 

Knibber moest een maandje wachten op een nieuw schip. Dat werd de Wassenaer die op 5 augustus 1642 vertrok als onderdeel van de blokkadevloot van Goa. Daar was Dirck al eerder geweest met de ’s-Gravenhage. Het was algemeen bekend dat de Wassenaer oud begon te worden en zwak was. Daarom werd dit schip gekozen om samen met de vice-commandeur naar Wirgula of Goa te varen en het daar tot nadere orde te laten verblijven zodat het volgende schepen kan informeren. Zo nodig kon het meevaren naar Ceylon om het bestand bekend te maken. Het lijkt op een rustig baantje met een goed salaris want inmiddels was dat verhoogd tot 41 gulden per maand.

 

 De Spanjaarden hadden inmiddels ook Portugal in bezit genomen De verhouding met de Portugezen in Indië was voor de toenmalige bewindhebbers duidelijk. Nederland was verwikkeld in de Tachtigjarige Oorlog en de vijand thuis was ook de vijand in de rest van de wereld. Naast Goa beheersten de Portugezen ook de handel in kaneel en olifanten in Ceylon. Daar wilden de Nederlanders goed- of kwaadschiks ook hun deel van dus moesten de Portugezen uit Ceylon verjaagd worden. Echter: Portugal had kans gezien zich van het Spaanse juk te bevrijden en weer een zelfstandig koninkrijk te worden. Het land wilde vrede met Nederland. Er werd een tienjarig bestand gesloten dat in november 1641 in Portugal en op 28 februari 1642 in Nederland werd ondertekend. Op 28 januari 1643 waren de Portugezen al naar Batavia gekomen om om een wapenstilstand te vragen waarop de Nederlanders gezegd hadden dat daar geen sprake van kon zijn zolang zij geen bevel uit Nederland hadden ontvangen. Ondertussen ging Batavia door met het klaar maken van een nieuwe blokkadevloot. Op 12 augustus 1643 vertrok uit Sunda’s Enghte een vloot bestaande uit zeven schepen waaronder de Wassenaer, met Dirck de Knibber aan boord, weer naar Goa voor een blokkade en zo mogelijk de inname van Gale op Ceylon.

 Op 2 oktober kwam in Batavia de Salamander uit Nederland aan met het bericht over het bestand. In plaats van de vloot daarvan op de hoogte te brengen en opdracht te geven de Portugezen met rust te laten schreef de regering in Indië aan de bewindhebbers in Nederland dat de Portugezen in Indië anders waren dan de Portugezen in Europa. De Portugezen in Indië waren daar over het algemeen al zo lang dat ze zich Indiër voelden en geen band meer hadden met Portugal. Eerdere voorstellen tot verdeling van de handel waren niet gehonoreerd dus de aanval was gerechtvaardigd.

 Na vijftig dagen zeilen en een verlies van 40 manschappen kwam de vloot aan bij Goa. Dirck is weer van de partij. Hij verblijft op papier tot 15 februari 1644 op de Wassenaer maar het schip, zo lek als een mandje, werd in september 1643 in Malakka aan de wal gelegd. Het oude schip Wassenaer dat met groote moijten ende sorgen op de pomp hadden overgebracht lieten door alle scheepsverstandige sircumspectelijck visisteren ende examineren , off oock tot de te doene voyage bequaem wesen mocht, welck naer scherpe ondersoeck wert affgeslagen [niet naar Batavia terug, maar] tot Malacca opleggen, gelijck geschiet is... “ . De bemanning ging, vanwege ziekten die heersten, in zijn geheel over op het op de Engelse veroverde schip “Hopewell” die verder als de Hoop door de Indische wateren zou gaan. De Hoop werd, zonder Dirck, als voorloper op 15 februari 1644 naar Batavia gestuurd met brieven van Francois Caron waarin hij verslag doet van het verloop van zijn tocht en hoe het hem gelukt is, ondanks veel ontberingen vanwege de ontoegankelijkheid van het landschap, het fort Negombo op Ceylon ter veroveren op de Portugezen en van daar uit met een leger naar Colombo gemarcheerd te zijn om deze plaats te veroveren. Bij het lezen van deze verslagen vliegen de zieken, gewonden, doden en gevangenen je om de oren maar uiteindelijk werden de Portugezen overwonnen. Het is te hopen voor Dirck dat hij buiten het strijdgewoel aan boord van een van de schepen zat. Het lijkt niet waarschijnlijk want naast het krijgsvolk moest ook het scheepsvolk helpen bij het opwerpen van fortificaties en alleen zieken, slechten en zwaksten  moesten de schepen bewaren. Dirck kwam met de Gracht op 15 augustus 1644 aan in Batavia en op 15 oktober verlaat hij het schip.

 De administratie die zo mooi kloppend lijkt, vertoont ineens een gat van een bijna twee jaar waarin hij geen verdiensten heeft bij de VOC. Hij keert weer terug in dienst van de VOC in juli 1646. De kans bestaat dat hij heeft geprobeerd om zich als vrijburger te vestigen op Banda. Als hij in 1648 zich aanmeldt als lidmaat van de kerk in Gorinchem doet hij dat komende van Banda.

 

Op 6 juli 1646 krijgt de Castricum zeilorders om naar West Sumatra te zeilen. Specifiek werd vermeld dat ze voor het vertrek van de retourvloot terug moesten zijn. Dirck verdiend met deze tocht fl  66,10. Op 22 december 1646 vertrekt hij weer van de rede van Batavia maar nu op weg naar huis. Ook deze keer lijkt de administratie niet zorgvuldig. “’t huys met Zeelandia” bleek in de praktijk een terugkomst met de Leeuwarden te zijn waar hij zich dusdanig ergerde aan de lakse houding van schipper Hendrick Spannerius vanwege de voortdurende dronkenschap van de koopman Adriaen Hafkam, dat hij er bij de notaris in Rotterdam een verklaring over op liet maken.

De Leeuwarden kwam op 9 augustus 1647 aan in Texel. Eer opvarenden met hun kist en verdiende geld op weg konden gaan naar kroeg of thuis zijn er al weer een paar weken over heen gegaan. Het zal dus op zijn vroegst eind augustus of begin september zijn dat hij met bijna fl 2000,00 op zak in Gorinchem aankwam.

Verklaring over de dronkenschap van Adriaen Hafkam, Stadsarchief Rotterdam 18_419_0461
Verklaring over de dronkenschap van Adriaen Hafkam, Stadsarchief Rotterdam 18_419_0461

terug in Gorinchem

 De Tachtigjarige Oorlog liep op zijn eind dus er zal een relatief rustige periode aanbreken in zijn leven. Drieëndertig jaar oud, een goed gevulde beurs en nog vrijgezel. Dat zal hem ongetwijfeld de aandacht van menig huwbare vrouw opgeleverd hebben. Na een half jaartje stond hij voor het altaar met Maria Hermannusdr Nachenius aan zijn zijde. In Amsterdam gingen ze op 13 maart 1648 in ondertrouw en op 13 april werd het huwelijk, in Spijk, voltrokken, waarschijnlijk door de vader van Maria die daar al sinds 1614 dominee was.

 

Reis 3 en 4, een hoop gepuzzel

 Vanaf de huwelijksdatum begint het herleiden van het leven van Dirck op een puzzeltje te lijken. Dirck en Maria kregen drie dochters. Bij de doop staan vanzelfsprekend de namen van beide ouders genoemd. De ervaring heeft geleerd dat bij afwezigheid van de vader dat meestal vermeld staat. Zo niet bij deze dopen. Je zou dus denken dat Dirck bij de plechtigheid aanwezig is. Maar als alle bekende informatie in een tijdbalk wordt gezet blijkt al snel dat dat niet kan. Wat volgt is een oefening in “als dit dan dat” en “als hier dan niet daar”.  

 

Maria moet vrijwel meteen zwanger zijn geweest want op 21 februari 1649 werd in de kerk van Gorinchem Mechteld gedoopt. Bij een normale zwangerschap betekende dat bevruchting tussen de bruiloft en 1 mei. Op 9 mei 1648 werd Dirck met attestatie van Banda aangenomen als lidmaat van de Hervormde kerk. Hij woonde toen op de Grote Markt.

 

Volgens een verklaring van Maria is Dirck op 16 juni 1650 op pad met de VOC maar hij moet in oktober/november 1650 in Gorinchem zijn want op 22 augustus 1651 werd dochter Johanna onder toeziend oog van haar grootmoeder Neelken Mertens van Duijnen ten doop gehouden ( 22 augustus – 40 weken). Tussen 16 juni 1650, de datum van de verklaring van Maria en oktober 1650 komen op 22 juli 9 schepen uit Indië aan. Dirck zat op één van deze schepen die allemaal in januari 1650 uit Batavia zijn vertrokken. Dirck moet dus in januari 1650 in Batavia geweest zijn. Een rekensom leert dat hij met een schip dat na 9 mei 1648 (lidmaat kerk ) en voor 1 januari 1650 (vertrek uit Batavia) is aangekomen in Batavia. Dat zijn 13 schepen waarvan er 1 vergaan is. Blijven er 12 schepen over waaronder alle 9 schepen die op 22 juli 1650 weer in Nederland aankwamen. Procentueel 75 % kans dat hij met de kerstvloot van 1648/1649 is vertrokken en op 21 februari 1649 niet aanwezig was bij de doop van zijn dochter Mechteld. Net uit die periode is er zo weinig VOC archief dat het waarschijnlijk altijd wel een raadsel al blijven op welk schip of schepen hij deze periode heeft gezeten. Ik zou mijn kaarten zetten op een heenreis met een schip van Amsterdam en de terugreis met de Leeuwarden van de kamer Enkhuizen want In augustus 1651 vraagt Maria via de kamer van Amsterdam bij die van Enkhuizen om de twee maanden salaris die zij nog te goed heeft van Dirck.

 

Het ligt in de lijn van Dirck om te verwachten dat hij weer vertrokken is met de kerstvloot van 1650. Die vertrok op 31 december 1650. Het personeel hiervoor is al aangenomen in de voorgaande maanden, een periode waarover geen bronnen voor handen zijn. Het is dus pure speculatie. Hij is dan terug gekomen rond augustus 1652. Die terugreis zal overigens niet zonder problemen zijn geweest want ondertussen hadden de Engelen ons de oorlog verklaard op 10 juli 1652 en door het hele Kanaal en de zuidelijke Noordzee waren gevechten uitgebroken. Een zwaar beladen retourvloot was dan een ideale buit en zou een zware financiële slag betekenen maar gelukkig kwamen alle schepen aan. Het betekende wel uitstel voor de gewone afvaart van de kerstvloot.

Reis 5 en 6. Windstiltes, storm en scheurbuik

 Over 1653 zijn de bronnen wel een helpende hand. Op 28 februari verscheen Dirck in Middelburg en kreeg een aanstelling als opperstuurman op de Prins Willem voor fl 54,00 per maand. Het zou tot 11 mei duren voor het schip kon vertrekken. Ook de doop van zijn derde dochter, die weer Johanna genoemd werd, op 8 november 1653 zou hij niet meemaken. In september 1654 staat hij wel in Gorinchem bij het doopfont als getuige van de doop van Jenneke dochter van zijn zwager Johannes Nachenius en Eelken Matthijsdr.

 

Op 25 oktober 1654 volgde een benoeming tot schipper op de Orangie voor de kamer Zeeland voor fl 72,00 per maand. Het schip vertrok april 1655 naar Batavia en op 14 december 1656 werd hij aangenomen voor schipper op het Hof van Zeeland voor de kamer Zeeland voor fl 80,00 per maand. Het schip vertrok 22 januari 1657 uit Zeeland. Aan boord was ook Johannes Nachenius, zijn zwager, die als ziekentrooster mee ging op deze reis. Hij zou heel wat te troosten krijgen.

Het begon meteen al na de afvaart. Het weer was zo slecht dat men niet anders kon dan terugkeren naar Vlissingen. Daar zou het bijna een maand moeten wachten voor ze weer konden vertrekken. Toen hadden ze wel goede wind en tot over de evenaar hadden ze een goede en snelle tocht. Toen was de wind op. Drie weken lagen ze op een blakke zee en dobberden ze op de stroom richting Kaap de Goede Hoop, de plaats waar vers eten en drinken aan boord genomen kon worden - alleen nu niet. Het weer was omgeslagen en het stormde zo hard dat ze niet anders konden doen dan door zeilen.

Met de 420 opvarenden onder wie vrouwen en kinderen, ging het gelukkig nog goed. Er waren nog maar 6 doden gevallen. Tweehonderd mijlen na de passage moest toch het water op rantsoen. In de buurt van Mauritius waren ze van de een op andere dag overvallen door ziekten. Meer dan vijftig opvarenden hadden scheurbuik en uiteindelijk kwamen ze met meer dan 100 zieken aan op Mauritius. Naast 17 doden bleven 20 mensen wegens zwakte achter op Mauritius. Het schip kwam op 17 oktober 1657 in Batavia aan. Kribber en Nachenius zullen een zucht van opluchting hebben geslaakt.

 

Het Hof van Zeeland zou 29 juli 1658 Middelburg weer inlopen, maar zonder Dirck. Hij was in Indië gebleven en op 20 juni 1659 loopt het Zeepaert Batavia binnen komende vanuit Goa met als schipper Dirck de Cnibber. Ook het Zeepaert gaat terug naar Nederland zonder Dirck. Hij stapt over op een ander schip en zal nog tot december 1659 rondzwerven in de Indische wateren om op 17 december als schipper en vice-admiraal van de vloot aan boord te gaan van het Hof van Zeeland.

Kopie van de brieven die Dirck de Knibber zond vanaf de Hof van Zeeland ergens midden op de Oceaan. NA. 1.0o4.02.7611

 In de tweede week van februari 1661 liep de vloot de baai in bij Kaap de Goede Hoop. De veel zieken en onderlinge ruzies aan boord tussen het hogere personeel maakten het noodzakelijk te schuiven met de bezetting. Daarnaast waren op de Kaap 17 Franse rooms katholieken schipbreukelingen aanwezig die passage naar Nederland was beloofd. Ook zij moesten over de schepen verdeeld worden rekening houdend met de rang van de schipbreukeling en de officieren aan boord. Vanzelfsprekend ging de bisschop aan boord bij het admiraalsschip. Dirck kreeg een pastoor met zijn knecht en een luitenant aan boord. De pastoor was een plaatsje in de kajuit en aan de tafel van Dirck en de opperkoopman toegezegd. Op 12 maart zou de vloot weer zee kiezen maar Dirck moest die ochtend eerst nog zijn slaaf Joris van Cochin verkopen aan Roelof de Man. Op 1 juli was Dirck weer in Zeeland.

Reis 7,  Thuis of over boord ?

 Met zijn goede verdiensten had Dirck best een jaartje thuis kunnen blijven. Schijnbaar zat dat niet in zijn aard. Amper tweeënhalve maand na zijn terugkomst stond Dirck weer in Zeeland en werd hij aangenomen als schipper op de Walcheren.

Vanaf 19 januari 1662 moest hij gereed zijn om te vertrekken. Ook deze keer moest Maria afscheid nemen van zowel haar man als haar broer Johannes die weer mee reisde als ziekentrooster. Het schip komt in Batavia aan op 3 september. Ook nu blijft Dirck weer een paar jaar in Indië want op 19 november 1664 verklaarde Maria Nachenius dat haar man in Indië was.

Op 14 december 1666 komt hij dan weer voor als schipper op het retourschip Middelburg dat op punt staat vanuit Batavia naar Nederland te komen. Op 26 januari 1667 vertrekt de Middelburg van de rede in Batavia en daarmee verdwijnt Dirck Jansz de Knibber uit beeld. Het schip komt aan in Middelburg op 25 oktober maar zo als steeds wordt ook nu geen enkele naam van de opvarenden genoemd. Hij kan gezond aangekomen zijn en nog jaren huis, haard en bed gedeeld hebben met zijn Maria of met een “één, twee, drie, in godsnaam” over boord gezet zijn.

 

Er is geen spoor meer van hem te vinden. Maria Nachenius wordt nog een keer genoemd en dat is als zij op 4 juli 1675 toestemming geeft voor het huwelijk van haar dochter Johanna met Abraham de Bruyn in Middelburg. Dirck wordt niet genoemd en is of weer in het buitenland of inmiddels overleden. Wie het weet mag het zeggen.

 

 Met hartelijke dank aan Menno Leenstra en René van Dijk.

Bronnen:

 

Regionaal Archief Gorinchem: DTB-registers, Oud Notarieel Archief, Oud Rechtelijk Archief

Nationaal Archief Den Haag: VOC 1.04.02.317, 860, 866, 883, 1140, 1141, 5275, 7247, 7248, 7249, 7611, 9338, 9344.

Stadsarchief Amsterdam, DTB-registers

Stadsarchief Rotterdam; Oud Notarieël Archief inv.nr 419

Regionaal Archief Dordrecht, Oud Notarieel Archief

DAS-Register

Mc. Leod, N. ; De Oost-Indische Compagnie als zeemogendheid in Azië deel 2

Roever, de Arend; De jacht op sandelhout

Daghregister Batavia; 1637 t/ m 1667

Daghregister Kaap de Goede Hoop; 1661 t/m 1667

http://www.e-family.co.za/ffy/remarkablewriting/UL01WhatCantBeCured.pdf (3.3.2021)

 

 

 

© Valentine Wikaart – Derkzen, april 2021