plantages Boxel, Gelre en Sinabo

De in Gorinchem geboren en getogen Paulus (roepnaam Paul) van der Veen werd in 1696 benoemd tot gouverneur van Suriname. Hij werd in 1707 ontslagen maar zou de geschiedenis in gaan als één van de drie langstzittende gouverneurs. Na zijn terugkomst werd hij directeur van de Sociëteit van Suriname en zou tot aan zijn dood, in 1733, zijn kennis en kunde in dienst stellen van Suriname. Toch is over hem maar weinig bekend. Een onderzoek naar Gorinchem in relatie tot het slavernijverleden was de aanleiding voor verder onderzoek. Zowel naar zijn leven in Gorinchem als naar zijn functioneren in Suriname. Dit artikel moet gezien worden als een aanzet voor verder onderzoek. 

Op 20 januari 1696 was het gezelschap, bestaande uit de nieuwe gouverneur voor Suriname Paul van der Veen, zijn vrouw Anna van Gelre, de twee zoontjes, (schoon)zus Magdalena van Gelre en vier bedienden, gereed om te vertrekken naar Texel waar de Jonge Abram klaar lag om te vertrekken. Door oponthoud vanwege weer en averij duurde de reis veel langer dan de gemiddelde twee maanden en kwam het schip pas in juni aan in Suriname. Magdalena had daar haar eigen agenda en ging voortvarend aan de slag. Haar zwager Paul had bij zijn indiensttreding bij de Sociëteit van Suriname ingestemd met de voorwaarden dat hij geen belangen mocht hebben in plantages, rederijen en slavenhandel in Suriname maar die waren niet van toepassing op Magdalena. Magdalena oriënteerde zich en kocht al snel de plantage Zoetendaal uit de boedel van wijlen Zara l’Empereur van Opwijck douarière Marcus du Tour. De plantage lag aan de rivier Mapany ( nu Marowijnekreek), was 1500 ackers groot en zij kocht hem met alle beesten, 45 negers, huizen en molens. Op zeven november 1696 gaven de erfgenamen de opdracht tot transport[i].  Al snel diende zich een tweede mogelijkheid aan. Op 9 februari 1698 kreeg zij vergunning van Paul van Veen om een stuk grond groot 2000 ackers in bezit te nemen langs de Surinamerivier en om te vormen tot een plantage, waarbij zij de indianen niet mocht hinderen. Ze gaf hem de naam Boxel.[ii] In 1702 vraagt ze haar zwager, in zijn rol als gouverneur, haar het land van plantage Boxel niet alleen in eigendom te geven maar ook te mogen uitbreiden.

 

 

Samen met zijn schoonzuster koopt Paul in 1702 ook grond van Daniel Muldert, en land uit de boedel van Pieter Muenicx maar de klap op de vuurpijl kwam op 2 december 1702 als de erfgenamen van Mejuffr de Graaff, weduwe van Laurens Boudens hun plantage Sinabo , al in de familie sinds de Engelsen er waren en nu in vervallen staat verkerende, aan hen willen verkopen. Maar het grondbezit was pas compleet toen in 1706 er nog een plantage bij kwam die de naam Gelre kreeg. Overigens staat wel genoteer dat zij de grond en de plantages kocht samen met haar zwager Paul van der Veen maar officieel stond dat deel op de naam van zijn vrouw Anna. 

 

In drie artikelen van het boek "Gorinchem en Slavernij, enkele historische verkenningen" uitgegeven door de Historische Vereniging Oud Gorcum in 2025, worden de levens van Paul, Anna en Magdalena beschreven. Omdat bij onderzoek altijd veel meer bronnenonderzoek gedaan wordt dan er in de artikelen terecht komt, heb ik gemeend een aantal aanvullende informatiebladen te maken waarop bronnen vermeld staan en voor verder onderzoek gebruikt kunnen worden. 



[i] Navorscher 1916

[ii] NA 1.10.10.32