Ondertussen zocht Hendrick Wissel naar andere manieren om geld te verdienen. Hij begon met de steenrijke Pieter van der Haghen een compagnieschap met als doel schepen uit te reeden naar Oost- en Westindië. Eén van hun schepen, met Melchior van den Kerckhove als kapitein, was in 1596 met op de Portugezen buitgemaakte Moren de haven van Middelburg binnengelopen met de bedoeling hen als slaafgemaakten te verkopen. In de Nederlanden mochten christenen niet tot slaaf gemaakt worden en niet-vrije ‘mooren’, zoals men Afrikanen en islamieten noemden, mochten het land niet in. Burgemeester Adriaen ten Haeff stak een stokje voor de verkoop omdat de meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen christelijk gedoopt zouden zijn. Over het lot van deze groep mensen is niets met zekerheid bekend anders dan dat in januari 1597 een aantal van hen in Middelburg zijn begraven[i]. Het zal hen niet de gehoopte vette winst opgeleverd hebben. Desondanks vraagt Hendrick Anthoniszn Wissel de Staten-Generaal op 5 juli 1597 weer om toestemming om ‘met zijn compagnie de schepen St. Jacob, St. Pierre, de Swarte Leeuw en de Drye Coningen te mogen varen naar Oost- en West-Indië en andere verre landen’. Admiraal van de vloot is weer Melchior van den Kerckhove. De Staten-Generaal stemt toe mits zij geen Spanjaarden of Portugezen aan boord nemen. Ook mag niemand vijandig behandeld worden die hun navigatie en hun reis probeert te verhinderen.[ii] In deze goedkeuring ziet Hendrick mogelijk ook een vorm van goedgezindheid jegens hem door de Staten-Generaal en loopt het met dat landverraad, en de daaraan verbonden doodstraf, toch niet zo hoog op. Hij keert terug naar Den Haag, naar het huis waarvoor hij nog steeds geen cent voldaan heeft. Hij accepteerde niet dat het inmiddels verkocht was. Hij viel de prinses en haar hofhouding lastig en in juni 1598 liet hij Louise de Coligny door een deurwaarder uit het Noordeinde zetten, waarna hij het zelf met vrouw en kinderen betrok. Daardoor werd Hendrick Anthonisz Wissel op last van de Staten van Holland gevangen gezet in de Gevangenenpoort in Den Haag en alsnog aangeklaagd wegens hoogverraad, waarvoor hem een executie met het zwaard en confiscatie van zijn goederen te wachten stond. Ook toen kon het gebeuren dat een vonnis lang op zich liet wachten. Tijdens de vier jaar van zijn gevangenschap maakte Wissel het zijn cipiers zo lastig , dat hij op water en brood in ' de ijseren kamer ' werd gezet. Op 18 november 1602 werd hij voor eeuwig uit Holland en West-Friesland verbannen en zijn goederen werden geconfisqueerd. Zonder resultaat probeerde Wissel vanuit zijn nieuwe woonplaats Utrecht herziening van zijn vonnis te krijgen. Hij bewerkstelligt het tegendeel en wordt in februari 1607 voor tien jaar verbannen uit Utrecht wegens laster en verzet tegen de rechterlijke macht. [iii] In 1612 leeft Hendrick nog. Zijn vrouw krijgt dan als erfgename van haar vader een deel van het land dat hij had nagelaten in Haren bij Megen. [iv] Daarna is Hendrick niet meer terug te vinden. Als zijn vrouw in 1627 in Utrecht komt te overlijden is zij weduwe en laat drie meerderjarige kinderen na.


