Anthonis Anthoniszn alias Swarte Teunis

Altijd op zoek naar Gorkummers in dienst van de VOC, struin ik door vele bronnen en stapels boeken. De mannen zijn goed verborgen maar dat maakt de vondst van een nieuwe naam steeds tot een kleine triomf. Steeds meer oude boeken worden digitaal doorzoekbaar en dat kan helpen maar zoekmachines zijn grillig. Wat op de ene pagina gevonden wordt, blijft onvindbaar op een volgende pagina. Ik ben een ster geworden in snellezen.

 

Al heel lang staat Marten Immerszn aan de top van de lijst als zijnde als eerste vertrokken uit Gorinchem rond 1610 en ondanks dat de VOC opgericht werd in 1602 lag het niet in de verwachting dat er iemand gevonden zou worden die nog eerder vertrokken was. Tot dat mijn oog viel op Anthonis Anthoniszn., schipper van de Trouw van Rotterdam, in 1598 35 jaar oud en afkomstig uit Gorcum. Het lijkt een ideale kandidaat. Hij heeft meerdere spannende reizen gemaakt waarbij hij de dood in de ogen keek, lijkt de eerste Gorcummer te zijn die aardappels gegeten heeft, is onderdeel van een hele bijzondere gevangen ruil geweest en stond zij aan zij met mensen waarnaar nu in vele steden en dorpen straten, pleinen en lanen zijn genoemd. Er was maar een oneffenheidje. Hij maakte zijn tocht met een zogenaamde voorcompagnie, een handelscombinatie uit de Republiek die handel dreef op Azië tussen 1594 en 1602. Daardoor valt hij strikt gezien net buiten de doelgroep. De voorcompagnieën werden gefinancierd door rijke Noord-Nederlandse kooplieden en welgestelde immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden. Vanwege de moordende onderlinge concurrentie werden de compagnieën in 1602 door de overheid gedwongen zich voor 21 jaar te verenigen in de VOC, die het alleenrecht op de Aziatische vaart kreeg. De reis waarop Anthonis meeging staat bekend als de reis van Mahu en De Cortes en was de vijfde van de vijftien reizen van de voorcompagnieën die plaats zouden vinden.

 

De vloot werd grotendeels bekostigd door Rotterdamse kooplieden met een Antwerpse achtergrond. Er werden vijf schepen aangeschaft, de Hoop, het admiraalsschip, de Liefde, de Trouw, Geloof, en het jacht de Blijde Boodschap. Samen vormden zij een handelsvloot maar door goedkeuring te vragen bij de Staten Generaal wist men zich verzekerd van de officiële toestemming om de vijand ter zee en te land te bestrijden en daarvoor soldaten mee te mogen nemen, maar nog belangrijker zich te bewapenen met onder andere kanonnen die ter beschikking gesteld zouden worden door de diverse steden op last en krediet van de Staten Generaal. Zo werd ook Gorinchem verzocht twee, van de veertien, kanonnen ter beschikking te stellen. Daarnaast brachten de gezamenlijke steden 150 kogels en 8000 pond buskruit op.

De vloot voer op 27 juni 1598 het Goereesche Gat, vandaag de dag beter bekend als het Slijkgat, uit. Aan boord van de schepen 491 bemanningsleden, waaronder Anthonis Anthonisz alias Swarte Teun als schipper op de Trouw en Gijsbert Jansz uit Gorinchem op de Hoop. Onderweg nam men nog 15 personen aan. Van de 506 bemanningsleden kwamen er uiteindelijk 50 of 51 levend in Nederland terug waaronder onze twee Gorinchemmers.

Omdat een van de schepen in het Goereesche Gat al dreigde te zinken liep de reis meteen al vertraging op. Men probeerde zoveel mogelijk de Spaanse en Portugese kust te ontwijken, we waren immers in de Tachtig jarige oorlog verwikkeld met hen, en na drie maanden kwam de vloot aan voor de kust van Guinee. Op het eiland Santiago, in Santa Maria del Playa, wilde men water en voedsel innemen maar werd  getrakteerd op buskruit door de daar aanwezige Portugezen. Een aanval van de tweehonderd Hollandse musketiers op het fort bleek voldoende om de Portugezen de stuipen op het lijf te jagen en zij gingen er snel vandoor. Na dat ook de autochtone bewoners van het  eiland nog een aanval op de Hollanders uitvoerden die weerstaan werd, besloot iedereen dat samenwerking misschien toch slimmer was. De Hollanders werden voorzien van water en proviand en vertrokken na een maand weer. Scheurbuik en tropische ziekten hadden hun tol onder de bemanning al geëist en ook admiraal Mahu had in de nacht van 23 op 24 september 1598 het leven gelaten. De leiding werd overgenomen door Simon de Cordes.  Het was de opvarenden van de vloot inmiddels duidelijk geworden dat de tocht naar Indië niet rond Kaap de Goede Hoop zou gaan maar door de gevreesde en beruchte Straat van Maghelhaens. Dit was zorgvuldig geheim gehouden omdat men dacht dat anders geen mens zou aanmonsteren. Om de misleiding te laten slagen was er ook alleen maar zomerkleding voor de bemanning aan boord.

 

Pas op 6 april 1599 zou de vloot, zonder enige andere tussenstop, aankomen in  de Straat van Magelhaens. Met mooi weer kwamen zij tot het midden van de, 600 kilometer lange, Straat waar de vijf schepen ankerden in een baai aan de noordzijde met op de achtergrond hoge besneeuwde bergtoppen. Noordwestelijke en westelijke stormen en zware stroming hielden hen daar onder bar koude omstandigheden min of meer gevangen. Gebrek aan voedsel en de barre kou waren de oorzaak van 120 doden onder de opvarenden.  Pas in september 1599 werd de Grote Oceaan bereikt maar het geluk was niet met hen. De schepen kwamen in een zware storm terecht en verloren elkaar uit het oog. De bemanning van de Blijde Boodschap had te kampen met ernstig voedselgebrek en zag zich gedwongen Valparaiso in Chili aan te lopen dat in Spaanse handen was. De bemanning werd gevangen genomen. De Hoop en de Liefde raakten meermaals in gevecht met Indianen en verloren hierdoor een groot deel van hun bemanning. Ze besloten gezamenlijk een poging te ondernemen om Japan te bereiken. De Hoop zou onderweg vergaan maar de Liefde bereikte als eerste Nederlands schip Japan en werd daardoor wereldberoemd. Het zou de grondslag vormen voor de eeuwenlange handelsrelatie met Japan. De Geloof en de Trouw werden door de storm terug de Straat van Magelhaens in geblazen en raakten elkaar daar ook kwijt. Uiteindelijk zou de Geloof, na het ontdekken van de Sebald Eilanden (nu de Jasoneilanden bij de Falklandeilanden), genoemd naar de kapitein van het schip Sebald de Weert, terugkeren naar Nederland.

 

De Trouw, met als kapitein de 22 jarige  Balthasar de Cordes en als schipper onze Swarte Teunis, bereikte uiteindelijk de Grote Oceaan.  Het schip was 110 last groot en met 86 personen aan boord vertrokken uit Rotterdam. Het was herkenbaar aan de in elkaar gevouwen handen die op de spiegel van het schip afgebeeld stonden. Het was bewapend met zestien kanonnen en had voor ieder kanon 80 kogels aan boord. Tijdens het tweede verblijf in de Straat van Magelhaens waren zij de vloot van Olivier van Noort tegen gekomen. Blijkbaar kende Van Noort Swarte Teunis want hij schreef in zijn scheepsjournaal dat zij het schip de Trouw hadden gezien waarop Swarte Teunis schipper was. 

Op de Trouw was men vastbesloten de reis voort te zetten en snel land te zoeken om te kunnen bevoorraden. Bovendien waren hen de vriendelijkheid van de Indianen en de grote schatten die zij mogelijk op de Spanjaarden konden veroveren voorgespiegeld. Men ging voor anker in Lacuy in de archipel van Chiloé voor de kust van Chili. Ze werden hartelijk ontvangen door de Indianen die de bemanning om hulp vroeg om van de Spanjaarden af te komen. Eerst deden ze zich tegoed aan alle lekkernij die ze ruilden tegen handelswaren die ze bij zich hadden. Zij kregen patatten (aardappels) aangeboden en zijn daarmee de eerste Nederlanders die daar mee in aanraking kwamen. Schapen, kippen, eieren, honing, meel, appelen en water werden geruild tegen spiegels, naalden, aardewerk en paternosters (rozenkransen).  Plannen om de Spanjaarden te verjagen werden gemaakt en er zijn verklaringen over wat er gebeurd zou zijn vanuit beide kampen die natuurlijk recht tegen over elkaar staan. Iedereen probeert zijn heldendaden te vergroten en zijn blunders te verdoezelen en geblunderd werd er nog al. Feit is wel dat de Hollanders in eerste instantie de Spanjaarden verslaan en verjagen maar in tweede instantie verjaagd worden. Dit alles kost mensenlevens aan beiden zijden. De Trouw komt in een zeer precaire situatie terecht omdat ze bij hun vlucht aan de grond lopen en als ratten in de val zitten. Balthasar de Cordes ziet ten einde raad geen andere oplossing dan het schip over te geven in de wetenschap op geen enkele clementie te hoeven rekenen. Het is feitelijk met hen gedaan en de 24 bemanningsleden die nog resteren staan op het punt om hun leven te verliezen. Aan boord bevinden zich ook een paar overgelopen en gevangengenomen Spanjaarden die gesommeerd worden om zich klaar te maken om zich over te geven. Volgens de Spaanse versie gebeurd er dan iets dat zo onwaarschijnlijks is dat het wel echt gebeurd moet zijn. Ik citeer: “Er was onder die omstandigheden een Spanjaard, die, vóór hij vertrok, zich wenschte te adoniseeren, alsof het voor een bal was, en zóó aan den vloed den tijd liet om op te komen. De duivel Andrez Vasques die… er zóó op gesteld was er netjes uit te zien, dat hij den kapitein aanraadde een ogenblik te wachten, terwijl hij zich kleedde. En zoo zeer ging dezen fat zijn toilettafel ter harte, dat terwijl allen in wanhoop besloten zich over te geven aan hun grootste vijanden, om niet te blijven in een schip, dat hun elk ogenblik den dood kon berokkenen, hij er zich mee bezig hield een schoon hemd te vragen! Men weet hoe snel de vloed in deze streken opkomt, dat terwijl zij bezig waren met de voorbereidselen van het vertrek, de zee begon te rijzen. Zodra de schipper bemerkte, dat er beweging in het schip kwam, waarschuwde hij den kapitein en toen besloot hij het schip niet in de steek te laten”. Zo kroop de Trouw door het oog van de naald en wist te ontkomen.

Ondanks de sterk gereduceerde bemanning zag het schip kans om de Grote Oceaan over te steken waar het eind 1600 aankwam op Ternate (Molukken). Ongetwijfeld is de bemanning hier van boord gegaan en heeft Swarte Teunis een ontmoeting gehad met, de daar in 1599 achtergebleven, Frank van der Does. Zijn broer Johan van der Does was niet alleen geboren in Gorinchem maar woonde daar na zijn studie rechten sinds 1595 weer en was secretaris van de stad. Van der Does waarschuwde hen niet naar Tidore te gaan vanwege de aanwezigheid van Portugezen. Niettemin voer De Cordes daarheen en kwam op 3 januari 1601 aan.

De ontvangst was vriendelijk en de Portugezen die het schip kwamen bezoeken en informeren naar hun bedoelingen leken bereid om de nog aanwezige lading van De Trouw te ruilen tegen kruidnagels.  De bemanning was argwanend vanwege de vele zwaar bewapende Portugezen die het schip kwamen bezoeken en sprak daar de schipper over aan. Deze ging de volgende dag, gekleed in een roodscharlaken mantel en een met ivoor ingelegd geweer aan land om zich bij de Koning van Tidore aan laten dienen en met de Portugese  kapiteins handel te drijven. Bij zijn terug keer aan boord kon hij dan ook het goede nieuws brengen dat hij vrij mocht handelen en een halve lading kruidnagels toegezegd had gekregen.  Ook mocht hij de volgende dag een os komen halen als vlees voor de bemanning. De volgende ochtend ging Simon De Cordes met zes mannen op stap om het beloofde dier te halen. Terwijl hij weg was kwam een stuurman van een Portugees schip naar de Trouw en nodigde Swarte Teunis uit om bij hem te komen ontbijten. Swarte Teunis gaf als antwoord dat hij zijn schip niet mocht verlaten maar dat de stuurman welkom was bij hem aan boord maar de man gaf aan dat hij oud, zwaar en traag was en het niet zag zitten om aan boord te klauteren. Als tussenoplossing stelde de Portugees voor om op het gras voor het schip te ontbijten. Samen met de ondertimmerman Gerrit Jacobsz, die Portugees sprak, zetten zij zich aan het ontbijt. Het kleine gezelschap werd langzaam maar zeker omsingeld door zwaar bewapende Portugezen en Swarte Teunis en Gerrit Jacobs gingen zich steeds minder op hun gemak voelen. Plots klonk van het schip een scherpe kreet. Swarte Teunis sprong op en dook in het water om naar het schip terug te zwemmen. Terwijl hij omkeek om te zien of Gerrit Jacobs hem volgden, zag hij hoe Gerrit onthoofd werd. Bij het schip aangekomen drong tot hem door dat het door de Portugezen overgenomen was en kon hij niet anders dan terug zwemmen naar de kant waar hij gevangen genomen werd. Tijdens zijn ontbijtje waren Portugezen aan boord van de Trouw gegaan met allerlei voedsel en voor een praatje. Onder hun ruimvallende kleding bleken zij tot de tanden gewapend en overvielen en doodden de aanwezige bemanningsleden. Vier van hen die dieper in het schip bezig waren ontsnapte aan de slachting maar werden later gevangen genomen. Ondertussen was Simon de Cortes door al het lawaai ook gealarmeerd en wilde terug geroeid worden naar de Trouw. Terwijl hij zich naar de klaarliggende roeiboot begaf werd hij met een mes doorboord en overleed. De zes mannen in de roeiboot probeerden te ontsnappen maar werden achtervolgend door de Portugezen in een snelle oorlogsroeiboot en moesten zich overgeven waarbij hen beloofd werd dat hun leven gespaard zou worden. Ze werden gedwongen over te stappen in de roeiboot van de Portugezen waarbij de commandant de opdracht gaf drie van hen eerst van hun ledematen te ontdoen en daarna van hun hoofd. De andere drie zagen kans van boord te springen. Alleen de hoogbootsman wist zwemmend de kant te bereiken en de Koning van Tidore te bereiken. Later bleek dat als deze overval mislukt zou zijn de bemanningsleden een andere uitdaging hadden gehad. Al het voedsel dat zij hadden gekregen van de Portugezen bleek zwaar vergiftigd te zijn. Uiteindelijk hebben Anthonis Anthoniszn alias Swarte Teunis, Aert Anthonis van Culemborg, Joris Adriaensz van Stolck, Andries Jansz, Jan Jansz van Rotterdam en Willem Loyen uit Schotland de aanslag overleefd en zijn alleen de eerste drie genoemden terug gekeerd naar Holland. Op een lijst uit 1608 van namen van mannen die nog gevangen zitten in Spanje, Portugal of Indië en uit Rotterdam zijn vertrokken komen Andries Jansz, Jan Jansz van Rotterdam, Joris Adriaens Stolck en Willem Loyen voor. 

Swarte Teunis en Aert Anthoniszn waren in 1603 weer terug in Holland en samen legden zij een verklaring af voor de burgemeesters van Rotterdam over wat hen in Tidore overkwam. Van Swarte Teunis is bekend dat hij vanaf Tidore naar Goa gevoerd is. Samen Met Aert Anthonissen werd hij onderdeel van een bijzondere gevangruil met de Spaanse Koning.

Op 2 juli 1600, tijdens de Tachtigjarige oorlog, werd de Slag om Nieuwpoort uitgevochten tussen het Staatse Leger onder leiding van Prins Maurits en het Spaanse leger onder leiding van Francesco de Mendoza, admiraal van Aragon. Het werd, zoals we allemaal op school hebben geleerd, een groot succes voor het Staatse leger en de overwinning werd nog groter toen ook de Spaanse aanvoerder De Mendoza gevangen genomen werd nadat hij van zijn paard gevallen was. Hij werd opgesloten in het kasteel van Woerden. Hij zou gevangen blijven tot 29 mei 1602 en werd op vrije voeten gesteld na een gevangenenruil met 400 Staatse zeelieden die door Spanje, Portugal of zijn overzeese gebieden vastgehouden werden. Onder hen Swarte Teunis, zijn scheepsmaat Aert Anthonissen en Piet Hein. 

Aan het eind van het verhaal gekomen bleek dat Swarte Teunis niet af geschrokken werd door zijn eerdere avonturen en op 30 mei 1605 weer het zeegat verliet als schipper op de Geünieerde Provinciën voor de Kamer Delft. Over een terugkomst is niets bekend. Daarmee voldoet hij toch weer aan het uitgangspunt van Gorinchemmers die  vertrekken met de VOC. Er is dus een nieuwe nummer 1.Toch blijft er iets een beetje knagen. Eén bron zegt dat hij uit Gorinchem komt, één bron noemt Culemborg.  Zullen we het antwoord ooit vinden?

 

 

Werkendam, juni 2019

copyright Valentine Wikaart- Derkzen

 

Bronnen:

www.Wikiwand.com,

bijdragen en mededelingen van het Historisch genootschap deel 79,

De reis van Mahu en De Cordes door de Straat van Magelhaes naar Zuid-Amerika en Japan 1598-1600, door F.C. Wieder (1923)

DAS register