Op 3 februari 1735 vond voor de kust van Zeeland een ernstige schipbreuk plaats waarbij honderden VOC mannen kansloos omkwamen in het ijskoude water. De Gorcummers Hendrick Steenbeek en Jacobus van ’t Sant waren ooggetuige van het droevig lot dat hun plaatsgenoot Jacob van den Camp overkwam om slechts enkele uren later hetzelfde lot te ondergaan.

Gedurende de achttiende eeuw verlieten vrijwel jaarlijks groepjes jongens en mannen huis en haard in Gorinchem voor de verlokkingen van de Oost en vertrokken met de diverse Kamers van de VOC richting Batavia. In 1734 vertrok een grote groep van 25 mannen. De kamers van Zeeland en Amsterdam zochten het meeste personeel dus de kans op een baan was daar het grootst. Wilde je je geluk liever dichter bij proberen dat kon je je kaarten zetten op Rotterdam of Delft maar vanuit deze plaatsen vertrokken beduidend minder schepen en had men dus minder personeel nodig. Een enkeling probeerde zijn geluk bij de kamers van Hoorn of Enkhuizen. Vanuit Middelburg werd een rechtstreekse scheepvaartverbinding onderhouden met Gorinchem door de, van origine Gorinchemse, familie Havelaar. Het is dus niet vreemd dat deze plaats favoriet was bij de ondernemende Gorinchemse jongelui. Uiteindelijk vertrokken er dat jaar tien via Zeeland, zeven via Amsterdam, twee via Rotterdam, één via Delft, drie via Hoorn en twee via Enkhuizen. Van acht van hen staat vast dat ze zijn teruggekomen naar Nederland, elf zijn overleden in Azië tussen 1734 en 1749. Eén man overleed onderweg naar Azië aan boord, van twee is het lot onbekend en drie zaten op schepen die bij de heenreis zijn vergaan. Over de drie laatste gaat dit verhaal. Laat mij ze aan u voorstellen.

Hendrick Steenbeek, gedoopt op 25 juni 1712 in Gorinchem als zoon van Aalbert van Steenbeek en Anneke Rochusdr Bol. Hij gaat mee als matroos op het schip het Vliegent Hart. Om zijn onkosten voor kleding en kist te kunnen betalen maakte hij een schuld van fl 150,00 bij Sara de Vries.

Jacobus van ’t Sant, gedoopt op 12 april 1715 in Gorinchem als zoon van Jacob Willemszn ’t Sant en Jenneke den Haan . Het zal met zekerheid zijn tweede reis voor de VOC worden. Eind 1731 vertrok hij, ruim 16 jaar oud, met de Loosdrecht naar Batavia als hooploper. In juni 1733 was hij weer in Holland. In 1734 ging hij mee als konstabel op het Vliegent Hart en had in die hoedanigheid de zorg voor het geschut, de wapens en de munitie aan boord.

Jacob van den Camp, gedoopt op 6 december 1716 in Gorinchem als zoon van Jacobus Jansz van den (der) Camp en Belia Phielix. Hij ging mee als bottelier op de Anna Catharina. Ook hij had zich voor deze tocht in de schulden moeten steken voor een bedrag van fl 150,00 bij ene Hendrik Wagenaar. Met een salaris van fl 14,00 per maand zou hij dus bijna 11 maanden salaris kwijt zijn en praktisch niets verdienen tijdens de heenreis.

 

Omdat deze schulden vast lagen in het “verzoekboek” van de VOC was de geldverstrekker verzekerd van uitbetaling via het salaris, verdiend bij de VOC zolang de man waaraan hij geld uitgeleend had daar werkzaam was. Overleed de man voor zijn schuld afgelost was dan ging de zielverkoper dus mogelijk het schip in maar omdat hun schuld aan de zielverkopers preferent was kregen de zielverkopers uitbetaald voor dat het eventuele restant werd uitbetaald aan de erfgenamen.

 Het verzoekboek van de Anna Catharina met links bijna onderaan de naam van Jacob van den Camp uit Gorinchem.
Het verzoekboek van de Anna Catharina met links bijna onderaan de naam van Jacob van den Camp uit Gorinchem.

Het Vliegent Hart en de Anna Catharina waren de twee schepen van de kamer Zeeland die rond de kerst zouden vertrekken. Het is dus aannemelijk dat de drie jonge mannen Gorinchem en hun familie in de decembermaand hebben verlaten. Vaak werden een paar weken voor het vertrek de sollicitaties gehouden voor de gewone bemanning en de soldaten die mee gingen. Het Vliegent Hart was een schip, gebouwd in 1729, 145 voet lang en zou 255 koppen meenemen. De Anna Catharina was van het zelfde bouwjaar maar met 130 voet lang net iets kleiner. Zij zou 175 koppen meenemen. Beide schepen werden van Middelburg naar Fort Rammekes gevaren en gingen daar voor anker in afwachting van lading en bemanning. Nadat alles en iedereen aan boord was begon het wachten op goede wind om te vertrekken. Soms duurde dat, tot ongenoegen van de bemanning, weken en dat was erg nadelig voor hen. Zij werden pas betaald vanaf het moment dat het schip buitengaats was. Bovendien was het winter en dus koud en er was weinig te doen. De enige verwarmde ruimte aan boord was de kombuis. Eventueel betalende passagiers kwamen pas op het laatste moment aan boord. De schippers, Jacob Prins van de Anna Catharina en Cornelis van der Horst van het Vliegent Hart, waren al vanaf het begin dat de schepen op de rede lagen aan boord. In hun hutten stonden de kisten met realen en dukaten. In totaal hadden de beide schepen minstens 10.000 gouden dukaten en 45.000 dubbele stuivers bij zich en daarvoor hadden de schippers hun handtekening moeten zetten bij de Munt van Middelburg. 

Gouden ducaten uit het Vliegend Hart
Gouden ducaten uit het Vliegend Hart

Hun geduld werd zwaar op de proef gesteld want, ondanks dat het weer zacht was voor de tijd van het jaar, bleef de wind in de zuidwest hoek zitten en het was ongekend storm- en regenachtig. In de nacht van 9 januari draait de wind even naar oostnoordoost maar het koude weer zet niet door en de wind draait weer terug naar het zuidwesten. Op 17 januari begon het weer te stormen en de wind blijft maar aanwakkeren. Op de 19de ontstond zelfs een “Vliegente storm” uit westzuidwest. De schade op het land aan gebouwen en bomen en op zee aan schepen is enorm. Er zijn berichten dat bij Texel wel 100 schepen zouden zijn vergaan en nog eens 60 van hun ankers geslagen en weggedreven zijn. Donder, bliksem, hagel en regen, erger dan bij mensenheugenis ooit was gezien, zorgden voor de angst dat steden “omver geworpen” zouden worden. In Asperen draaide de Hooglandsche molen dol en vloog in brand. Een vonkenregen dwarrelde over de stad en de Linge tot de Aquoyse dijk en de mensen stonden doodsangst uit. Door het iets verder draaien van de wind naar het westen liep alles toch nog net goed af. Hendrick, Jacob en Jacobus zullen ook angstige momenten hebben gehad daar in die Zeeuwse wateren terwijl de schepen aan lager wal aan hun ankers lagen te trekken. Aan het lange wachten lijkt een eind te komen als rond 1 februari de wind naar het noorden ruimt. Op deze wind wachtten de schepen en alles werd in hoog tempo klaar gemaakt voor vertrek. Eindelijk.

De tonnenlijn gereconstrueerd op basis van de kaart van 1743
De tonnenlijn gereconstrueerd op basis van de kaart van 1743

De Mercurius zeilde voorop en vlak bij Zoutelande, net voor de eerste ton, gaf Gerbrands de opdracht om met het loden te beginnen. Ter hoogte van de eerste ton werd een diepte gemeten tussen de 6.80 en 7.50 meter. Na het passeren van die eerste ton kwamen de schepen in de Deurloo. Al snel liep de gemeten diepte terug naar 6.80 mtr, niet diep genoeg dus. Gerbrands trok zich niets aan van het gemopper van zijn bemanning en voer verder zonder de retourschepen te waarschuwen tot de drempel die in de Deurloo lag en waarop de diepte slechts 5.50 mtr was. De Mercurius voer inmiddels ter hoogte van de Noorder Rassen en de Raan en hier bleek die diepte plots weer 7.50 mtr te zijn volgens Gerbrands. Hij veronderstelde over de drempel heen te zijn en gaf het bevel het schip af te houden, een manoeuvre waarbij de wind er van achter in komt en een teken voor andere schepen dat er dieper water is bereikt. Het is waarschijnlijker dat er maar 5.10 water stond en men nog boven op de drempel lag. ’t Vliegent Hart volgde de loodsboot en hield ook af maar hier aan boord begreep men dat de drempel nog niet was gepasseerd en minderde vaart ter hoogte van ton 4, een kwart mijl vanaf de loodsboot bij ton 5. De Anna Catharina lag ongeveer 1250 meter achter het Vliegent Hart en had waarschijnlijk niet opgemerkt dat het Vliegent Hart vaart geminderd had en behield de oude koers en vaart. Waarschijnlijk hebben zij pas op het allerlaatste moment in de gaten gehad dat er iets niet klopte maar toen was het al te laat. Men passeerde het Vliegent Hart en liep vast op de drempel. Men loste 3 schoten om de anderen te waarschuwen. Nog geen kwartier later om ca 17.15 uur raakte ook het Vliegent Hart boven op de drempel op ca. 250 meter afstand van de Anna Catharina. Een schip dat geen loods kon krijgen en achter de retourschepen aangevaren was, voer tussen de beide schepen door maar kon niets uitrichten. Men zag de mensen op het Vliegent Hart in doodsnood op de hut van de schipper. Het was “met geen drooge oogen om tesien” zou de schipper later verklaren. Door stroming en sterke tegenwind kon de loodsboot niet bij de schepen in de buurt komen maar men zat wel op de eerste rang om het drama te aanschouwen dat zich voor hun ogen af zou spelen. Rond 19.00 uur werden op de Anna Catharina de masten gekapt en nog twee schoten gelost. Een kwartier laten verdween het schip in de golven. Het Vliegent Hart lag zwaar op de drempel te stoten en raakte op verschillende plaatsen lek. Zeewater en zand drongen het onderwaterschip binnen. Om ca. 21.00 uur raakte het Vliegent Hart los en dreef in noordwestelijke richting weg, door de Mercurius gevolgd, totdat ze om ca. 23.00 uur met twee schoten en een lantaarn in het want een sein gaf om te ankeren op de Vlakte van het Schoneveld. Een kwartier later gingen de masten overboord. Wat zal er in de laatste uren door de hoofden gegaan zijn van die drie Gorcumse jonge mannen die dachten naar de Oost te gaan? Hebben ze tot het laatst gevochten voor hun leven of hebben ze zich bezat in de hoop hun lijdensweg te bekorten? Om 23.30 uur verdween ook het Vliegent Hart in de golven en ging roemloos ten onder. Vierhonderddertig mannen lieten het leven in het koude water nog voor ze echt uitgevaren waren. 

 

Oprechte Haerlemsche Courant 11 februari 1735
Oprechte Haerlemsche Courant 11 februari 1735

De één zijn dood is de ander zijn brood. Al op 9 februari waren er schepen in de buurt van de wrakken op zoek naar waardevolle materialen en op 1 maart gaf de Kamer Zeeland opdracht voor de bouw van twee nieuwe schepen. Pas in 1980 werd bekend waar het wrak van het Vliegent Hart ligt en kon men een deel van de lading bergen. Veel materiaal is vandaag de dag te zien in het MuZEEum in Vlissingen. Misschien zelfs wel een kleinood van Hendrick, Jacob of Jacobus die 284 jaar geleden zo hoopvol vertrokken.

 

Bronnen:

A.J. van der Horst, Met geen drooge oogen om tesien

J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen deel 5

 

Nationaal Archief, VOC archief 1.04.02